Het opgraven en begraven van de kermis te Waterlandkerkje

Om te weten te komen wanneer voor het eerst in een bepaald dorp kermis gevierd werd, zou men in vele gevallen een paar honderd jaar terug moeten gaan zoeken. In vele dorpen was dit volksvermaak er in de vorige eeuw ook al. De wijze waarop dat gevierd werd kwam in die tijd in de verschillende plaatsen in grote trekken overeen.

Toch waren er soms traditionele en opmerkelijke verschillen. In Waterlandkerkje was er een bepaalde manier van kermisvieren, die voor de plaatselijke Nederlandse hervormde predikant ds. J. Was, van 1839 tot 1852 woonachtig in Waterlandkerkje, aanleiding was daarover een geschrift te laten verschijnen, namelijk “Het opgraven en begraven van de kermis”.

Daaruit blijkt dat wat hij daarover vertelt, van eigen waarneming afkomstig is. Hij zag het kermisvieren niet alleen als een gelegenheid om plezier te maken met dans en drank. Hij bekeek het ook als een jaarlijks terugkomend sociaal verschijnsel. Immers hij schrijft dat zijn dorpsgenoten reeds dagen en weken tevoren naar dit feest uitzagen en ernaar hunkerden. Dit was te verklaren omdat het een lichtpunt betekende in hun anders vrij eentonig bestaan van zware arbeid en zorgen. Het was een uitlaatklep om zich een paar dagen te ontlasten van hun sleurbestaan.

Wanneer men de tijd van ds. J. Was in de vorige eeuw in dit verband vergelijkt met onze tegenwoordige tijd met zijn vele ontspanningsmogelijkheden en beter sociaal bestaan, moet men niet veel fantasie hebben om zich te kunnen voorstellen wat een jaarlijkse kermis in die tijd voor dorpsbewoners betekende.

 

Genoemde predikant vertelt dan dat op de eerste dag van de kermis er uit de voornaamste herberg van het dorp een zonderlinge stoet te voorschijn kwam met voorop de nationale vlag, gevolgd door een stel muzikanten. Dan volgde een groep jonge mannen, die een ladder op hun schouders droegen, waarop een potsierlijk toegetakelde persoon zitting had genomen, gewapend met een spa. Daarna volgde een groep dansende en zingende dorpsgenoten.

De stoet zette zich in beweging in de richting van de molen aan het eind van het dorp. Met veel muziek en lawaai kwam men bij het doel van de tocht aan de molenberg. Men liep er tweemaal rond, een soort ceremonie dus, waarna de wonderlijk uitgedoste figuur van zijn troon steeg en op een bepaalde plaats op de molenberg ijverig begon te graven. Al gauw haalde hij onder luid gejuich uit de gemaakte put een fles te voorschijn. De vreugde was algemeen. “Geen wonder” schrijft ds. Was, want de fles was gevuld “Met het geliefkoosde Schiedammer vocht”. De fles, het tastbare symbool van de kermis, ging vervolgens onder luid gejuich van mond tot mond. De man werd daarna weer op de ladder geheven en wederom ging het dorpwaarts, met het laat zich begrijpen, nog meer gedans en getoeter. De stoet ontbond zich weer in de dorpsherberg. De kermis was opgegraven en het feest kon in zijn volle omvang beginnen.

Op de derde dag van de kermis, de laatste, trok de stoet wederom, nu in de kleine uurtjes, naar de molenberg. De zonderlinge figuur was nu gewapend met een volle fles jenever. De ladder waarop hij een paar dagen tevoren zat te tronen had men nu wijselijk achterwege gelaten vanwege de onvaste tred van het gezelschap. Op de molenberg werd weer gegraven en de volle fles kreeg daar een tijdelijke rustplaats op de plek van zijn voorganger. De kermis van dat jaar was begraven. Leve de kermis van het volgende jaar, want dan zou dezelfde plechtigheid zich weer voltrekken.

Ds. J. Was eist in zijn geschrift niet het alleenrecht op voor Waterlandkerkje voor dit kermisgebruik. Hij houdt de mogelijkheid open dat dit op andere plaatsen ook in gebruik was. Hij meent echter dat het nergens zo intensief in stand gehouden werd als in Waterlandkerkje. Hij kon het weten, want het gebeurde in zijn tijd in de vorige eeuw.

De traditie van opgraven en begraven van de kermis is in onbruik geraakt. Sinds wanneer is mij niet bekend. Misschien weten anderen dit. Mogelijk is het ergens nog in zwang. Wie daar iets van weet, make het bekend. 

W.J.A. Dhondt

In het Mededelingenblad van augustus 1982 schreef de heer W.J.A. Dhondt een artikel over het opgraven van de kermis te Waterlandkerkje. Ds. J. Was deed daar in de vorige eeuw al een bericht van verschijnen. Bijzonder plastisch beschreef de predikant de gebeurtenissen voor en tijdens de kermisdagen, waarbij de jenever rijkelijk vloeide. Op het eind van zijn verhaal vraagt Was zich af of dit spektakel alleen in Waterlandkerkje voorkwam en Dhondt wil weten wanneer dit folkloristisch gebeuren in onbruik raakte.

Drs. [sic] J. de Hullu beschrijft in zijn “Uit het leven van den Cadzandschen landbouwer in vroeger dagen” enige pagina’s over feesten op de boerderijen. Hij weidt daarbij uit over de Oostburgse kermis, die in de vorige eeuw bekend stond om de vermakelijkheden. Het hele Land van Cadzand trok daarheen, deed er inkopen en zocht er vertier.

Over de kermissen in de dorpen zegt De Hullu niet zoveel, uitgezonderd het merkwaardige gebruik in Waterlandkerkje. Daarop aansluitend zegt hij:

“Met enigszins gewijzigd ceremonieel werd tot voor omtrent zestig, zeventig jaar te Cadzand ook de kermis opgegraven of “uitgehaald”. Hier begroef men des avonds voor Pinksteren als symbool der kermis een flesch jenever in een stuk weiland nabij het dorp. Op den eersten kermisdag, d.i. den tweeden Pinksteren, beklom een daarvoor gehuurd manspersoon een ladder, waar hij zich zo lang als hij was ruggelings op neer legde en werd vervolgens, nadat hij zich in een wit laken had gehuld, met ladder en al van uit een herberg naar de plek gedragen waar de flesch was verborgen. De stoet werd geopend door een man te paard, het hoofd gedekt met een soort Napoleonsteek, die de Vaderlandsche vlag droeg. Op zijde liepen andere deelnemers met afgedankte soldatenchako’s op en achteraan volgde een volksmenigte. Bij aankomst op het weiland steeg degene die op de ladder lag af en groef nu met de door hem meegenomen spade de flesch uit den grond. Zoodra dit was gebeurd nam de stoet in dezelfde volgorde den terugtocht aan, terwijl de muziek van de herbergspeelmans evenals bij de heenreis vroolijke deuntjes ten beste gaf. Ondertussen deed de man die de kermis had “uitgehaald” zich te goed aan de gelukkig rijkelijk met water vermengde jenever van de flesch en trok de stoet het dorp door, van tijd tot tijd halt houdend voor de huizen van den burgemeester, de wethouders en meer andere voorname ingezetenen, waar een van de deelnemers een “aanspraak” hield en met zijn makkers binnen werd verzocht om een glaasje wijn te gebruiken. Was deze ovatie aan allen gebracht, wien zij toekwam, dan keerden de deelnemers aan den stoet naar de herberg van waar zij waren vertrokken.”

Tot zover de beschrijving van dit kermisvermaak in Cadzand, dat grote overeenkomst vertoont met dat van Waterlandkerkje. De Hullu schreef deze regels in het midden van de jaren dertig, zodat we erachter komen dat rond 1860 deze traditie in onbruik geraakte. In hoeverre dit gebruik ook in andere plaatsen voorkwam is niet bekend, maar hoogstwaarschijnlijk zal het niet tot deze twee plaatsen in onze omgeving beperkt zijn geweest. 

Rinus Willemsen

Bron: artikel is eerder verschenen in het Mededelingenblad Heemkundige Kring West Zeeuws-Vlaanderen, jaargang 15, volgnummer 55 augustus 1982.